Tuinverlichting aanleggen: een lichtplan maken
Goede tuinverlichting begint niet in de winkel maar op een plattegrond. Wie vooraf weet waar elke lamp komt en wat hij verbruikt, legt één keer de kabel en hoeft niet achteraf een tegel op te tillen.
Eerst het doel, dan de lampen
Verlichting in de tuin heeft drie taken: veilig lopen, de tuin bruikbaar maken als het donker is, en sfeer. Begin bij de eerste. Een pad, een trap, een hoogteverschil en de route naar de schuur horen verlicht te zijn, anders wordt de tuin na zonsondergang een plek waar je over iets struikelt. Daarna komt de zithoek, en pas dan de accenten: een boom van onderen aangelicht, een schutting met een rij wandlampen.
Minder is vaak beter. Een paar goed geplaatste lampen geven meer diepte dan een tuin die overal even licht is. Richt licht naar beneden of op een plant, niet in de ogen van wie op het terras zit, en niet over de schutting naar de buren.
Soorten armaturen
- Paaltje of sokkellamp: geeft licht rondom en markeert een pad of de rand van een terras.
- Wandlamp: aan de gevel of de schutting, schijnt naar voren en omlaag.
- Grondspot: ingebouwd in de bestrating of het gras, schijnt recht omhoog. Mooi tegen een gevel of in een boom, maar let op dat hij niet verblindt als je eroverheen loopt.
- Prikspot: op een pen in de grond, te richten. Voor een heester of een boom, en makkelijk te verplaatsen als de plant groeit.
- Onderwaterspot: in een vijver of waterpartij.
- Lichtsnoer: een snoer met kleine lampjes, voor een pergola of een overkapping.
Let ook op de kleurtemperatuur. Warmwit licht (rond 2700 kelvin) past bij de meeste tuinen; koudwit licht maakt groen al snel kil.
12 volt of 230 volt
Er zijn twee manieren om tuinverlichting te voeden. Bij 12 volt zet een trafo de netspanning bij het stopcontact om in laagspanning, en vanaf daar loopt een dunne kabel naar de lampen. Zo'n systeem is veilig om zelf aan te leggen, lampen zijn met een klik bij te zetten, en de kabel hoeft niet diep. Het is de gebruikelijke keuze voor spots, paaltjes en snoeren in een gewone achtertuin.
Bij 230 volt loopt de netspanning zelf de tuin in. Dat is nodig voor een buitenstopcontact, een vijverpomp of zware verlichting op grote afstand. Een 230V-aanleg in de grond hoort aan de regels voor elektrische installaties te voldoen, met een geschikte grondkabel en een aardlekschakelaar. Laat dat door een installateur doen of controleren.
Vermogen optellen en een trafo met marge
Een trafo heeft een maximaal vermogen in watt, en alles wat erop hangt telt bij elkaar op. Tel daarom per trafo het vermogen van alle lampen. Een rekenvoorbeeld: zes grondspots van 5 watt en vier prikspots van 4 watt zijn samen 46 watt. Een trafo van 60 watt draait dan op ruim driekwart van zijn vermogen.
Laat een trafo nooit vol draaien. Een veelgebruikte vuistregel is ongeveer 20 procent marge: belast hem tot zo'n 80 procent. Dat houdt de trafo koeler en laat ruimte voor een lamp die je later bijzet. Past het niet, kies dan een zwaardere trafo of verdeel de lampen over twee trafo's. Kijk bij LED-lampen ook of ze bij de trafo passen; de fabrikant noemt dat bij het product.
Kabel en spanningsval
Bij 12 volt loopt er voor hetzelfde vermogen ongeveer twintig keer zoveel stroom als bij 230 volt. Daardoor verliest een lange, dunne kabel merkbaar spanning: de lamp aan het eind brandt zwakker dan de lamp vlak bij de trafo. Dat heet spanningsval. Hoe langer de kabel en hoe meer vermogen erachter hangt, hoe groter het verlies.
Er zijn drie oplossingen: een dikkere kabel, de trafo in het midden van de lampen in plaats van aan het begin, of de lampen verdelen over meer kabels of trafo's. Teken de kabelroute vooraf. Dan zie je hoe lang hij wordt, en kun je hem meteen meenemen als de bestrating of de border wordt aangelegd.
Een lichtplan tekenen in de tuinplanner
In de tuinplanner zet je armaturen, stroomkabels, trafo's en buitenstopcontacten in je tekening. Elk armatuur heeft een standaardvermogen per soort dat je kunt aanpassen, plus een bundelhoek en een kleurtemperatuur. Een kabel hangt aan een trafo van 60 tot 300 watt of aan een 230V-groep.
Het lichtplan telt per voeding het vermogen op. Boven 80 procent heet een trafo krap, boven 100 procent te zwaar, en de planner rekent per kabel de spanningsval uit bij de gekozen doorsnede. Een lamp die nergens op is aangesloten, kleurt rood. Met de weergave Lichtplan zie je de lichtbundels op de plattegrond, en het venster Lichtplan geeft per soort het aantal en het vermogen, als lijst die je kunt kopiëren. Dat lijstje neem je mee naar de winkel of de installateur.
Veelgestelde vragen
Kan ik tuinverlichting zelf aanleggen?
Hoe zwaar moet mijn trafo zijn?
Waarom brandt de laatste lamp zwakker?
Welke kleur licht past in de tuin?
Zelf aan de slag? De tuinplanner tekent op echte maten, met de luchtfoto en de hoogtes van je eigen perceel. Gratis, zonder account, in je browser.
Open de tuinplannerVerder lezen
- Tuinontwerp maken: zelf je tuin ontwerpen, stap voor stap. De volgorde bepaalt of een tuinontwerp klopt. Wie begint bij de terrastegels, tekent zich vast; wie begint bij de maten en de zon, houdt ruimte om te schuiven.
- Beregening aanleggen in de tuin: sproeiers, zones en dekking. Een beregening die goed werkt, zie je niet: het gazon is overal even groen en het terras blijft droog. Dat is geen toeval maar een plan, met de juiste sproeier op de juiste plek en zones die passen bij wat de kraan levert.
- Een kleine tuin ontwerpen: meer ruimte uit weinig meters. In een kleine tuin telt elke keuze dubbel. Een tuin van vijf bij acht meter voelt ruim of benauwd, en dat verschil zit zelden in de maat maar in de indeling, de materialen en de hoogte.
Bijgewerkt op .